Categorie: Gastblog

Ik miste de soundtrack

Ik miste de soundtrack

Hans Damen is energiek én vertelt graag. In 1999 had hij zijn eerste en enige twee missies: Albanië en Kosovo. Inmiddels is hij alweer twee jaar buiten dienst. Nog tijdens zijn diensttijd initieerde hij samen met Amy van Son het project Helmen vol Verhalen. Nu vertelt hij voor dat project zijn éigen missieverhaal.

Uitzending Kosovo en Albanië

Het is een verhaal vol toevalligheden. Van zijn entree bij defensie, via zo’n negentien verschillende functies, tot zijn uittreden: het is alsof hij steeds overal maar is ingerold, én uitgerold. ‘Dat is ook wel een beetje zo,’ zegt Hans Damen. ‘Ik kwam bij defensie en ik ben gewoon blijven hangen. Ze bleven me maar bevorderen en leuke banen geven. Ken je de Hitchhikers Guide to the Galaxy? En de uitspraak van de hoofdpersoon? “I may not have gone where I intended to go, but I think I have ended up where I needed to be.”

Zo is het bij mij ook. Er zijn maar heel weinig plekken waar ik kom en ervan denk: hier bevalt alles me. Ik ben vaak doodongelukkig met bestaande situaties – situaties waar iets scheef zit terwijl niemand er iets aan doet. Dus dan ga ik het veranderen. Automatisch wordt dat een kernkwaliteit die herkend wordt door de baas. Dan zetten ze je op plekken neer waar dingen anders moeten. Ik ben de ultieme interim-manager.’
“Ik ben vaak doodongelukkig met bestaande situaties.”

‘Ik heb geleerd om me niet teveel aan te trekken van kritiek. Een zeker gebrek aan empathie helpt. Niet in de echte zin van het woord, maar als mensen tegen mij zeggen ‘dat lukt nooit’, dan denk ik: dat zullen we nog wel eens zien. Ik ben wel beter gaan luisteren naarmate ik ouder werd.”

Kippenvel

Kosovo

Hans praat luchtig, nonchalant, maakt grappen. Toch heeft de missie waarover hij nu vertelt hem wel degelijk geraakt. ‘Waar ik echt om zat te janken – althans, tranen van in mijn ogen kreeg – was toen wij ‘s avonds terugreden uit Tirana, Albanië naar Durrës. Daar reed een colonne met vluchtelingenvoertuigen. Wij reden op een gegeven moment een tijdje achter een auto waar het nummerbord vanaf was gehaald. De identiteit van de vluchtelingen werd hen afgenomen als ze de grens over gingen: ze sloopten de nummerborden eraf, stalen hun geld, namen identiteitspapieren in. Het signaal: je stelt niets meer voor, je hoeft hier nooit meer terug te komen. Ik krijg er nog steeds kippenvel van.’

Een dag geleden werd hij nog herinnerd aan zijn uitzending, vertelt hij. ‘Gisteren kwam ik bij het opruimen een zilveren halve dollar tegen. Die heb ik gekregen van een Amerikaan die indertijd ineens bij ons voor het kamp in Macedonië stond. Hij had twee containers met hulpgoederen voor die mensen daar. Alleen: de douane wilde ze niet vrijgeven. Daarom had hij hulp nodig. Hij kwam uit Aspen, Colorado Springs. Daar krijgen skileraren elk jaar nieuwe skipakken. Het zou koud gaan worden in Kosovo, dus hij had die oude pakken naar Macedonië gehaald. Wij mochten als militaire missie belastingvrij goederen invoeren, dus hebben wij de invoer van die containers voor hem geregeld.’

Het is één van de vele anekdotes die Hans paraat heeft over zijn tijd in Albanië en Kosovo. Er schuilt een vleugje absurdisme in. Soms zijn het grootse verhalen, soms kleine herinneringen. Zoals die over de Mcdrive in Macedonië. ‘Daar mochten we op een gegeven moment niet meer komen als militair. De Amerikanen waren er met een pantservoertuig doorheen gereden, die hadden de hele drive naar de klote gereden. Het voertuig was te groot.’

Heel erg ‘Tour of Duty’

Helmen Hans en Tatjana

Hans werd in februari 1999 op een vrijdag aangewezen voor Macedonië. ‘De maandag daarna begon meteen de opleiding in Amersfoort. Die was heel snel in elkaar geflanst. Ze wisten eigenlijk niet wat we gingen doen. Schieten, mijnen, EHBO, het was allemaal in twee weken gepropt. Daarna zouden we weggaan.’ 

Maar intussen ging het al mis in Kosovo, vertelt Hans, en zijn vertrek werd uitgesteld. ‘Een week of anderhalf later barstte de ellende echt los. Serviërs begonnen moslims uit Kosovo te gooien. Er waren veel vluchtelingen. Een deel vluchtte naar Macedonië, de meesten naar Albanië.’ Hans en een collega werden gevraagd mee te gaan met een noodhulpverkenningsteam, dat vooral bestond uit mariniers. Zijn rol: adviseur noodhulp. ‘Er was in Albanië geen oorlog, ze moesten vluchtelingen opvangen. Het grootste gevaar wat je daar liep: ze hadden alle putdeksels gestolen. Dus als het regende moest je oppassen dat je niet in zo’n put reed.’

Zaterdag haalde Hans zijn pistool en een noodhulpverkenningsrugzak op bij de kazerne in Apeldoorn. Zondag vertrok hij naar Albanië. ‘Dat pistool zat op een gegeven moment in de handtas van mijn vrouw. Wij gingen zaterdagavond nog ergens heen, ik kon hem moeilijk in de auto laten liggen.’ 

Het was een merkwaardige ervaring, zijn aankomst in Albanië ‘Een beetje oorlogsfilm, én een beetje vakantie,’ zegt Hans. ‘Ze stonden er geiten te slachten naast de weg, dat kende ik ook van mijn reizen naar India. Op een gegeven moment vlogen we met een chinook naar Noord-Albanië, met de klep achter open. Door de valleien heen. Dat voelde heel erg Tour of Duty. Het enige wat ik miste was een soundtrack. ‘s Avonds zat ik in Durrës, in de politieacademie waar wij sliepen, op een balkonnetje met de satelliettelefoon naar huis te bellen. Mijn vrouw geloofde niet dat ik de zon in de Adriatische zee zag zakken daar.’

Als het een film was geweest, dan was het verhaal mooi rond geweest

Al gauw nam de missie van Hans een vreemde wending – en dat was niet de laatste. ‘We kwamen er vrij snel achter dat er naast onze humanitaire missie ook een NAVO-missie liep die een stuk geheimer was. Die had alles te maken met een opbouwoperatie om eventueel met NAVO-troepen Kosovo binnen te vallen. En dat botste met wat wij kwamen doen. Onze missie was feitelijk een afleidingsmanoeuvre, ontdekten we.’

‘In het noorden van het land, vlakbij de grens met Kosovo, zaten vluchtelingen. De NAVO wilde ze daar weg hebben, en verbood ons noodhulp te geven. Wij mochten er geen voedsel naartoe sturen, want als er voedsel was bleven ze daar zitten.’
Aan die opdracht van hogerhand gaf Hans geen gehoor. Het leverde hem een ruzie met een Canadese kolonel op. ‘Die zat daar namens de NAVO. Ik was van alles voor die vluchtelingen aan het doen, dat had hij me verboden. Hij dreigde me het land uit te gooien. 29 april was dat. Ik zei: “Morgen is het 30 april, een feestdag in Nederland. Onze minister van defensie komt op bezoek. Bereid je baas, de NAVO-commandant, maar voor, want ze hebben morgen om half 10 een afspraak. Dan kan jouw generaal uitleggen aan onze minister van defensie waarom wij geen hulp mogen verlenen, terwijl we daarvoor hier zijn.”’ Dat bleek een effectief dreigement: Hans bleef.

Na dik twee maanden Albanië werd Hans doorgestuurd naar Macedonië, na een tussenstop van een paar weken in Nederland. “Van noodhulpbieder in Albanië werd ik Chef Staf van het contingentscommando. Ik was linking pin tussen Nederland en het inzetgebied.” Vlak voor zijn vertrek naar Macedonië was er een doorbraak in het gebiedsconflict. “We vlogen op 30 mei naar Skopje. Op de dag dat we aankwamen werd bekend gemaakt dat er een vredesakkoord was.” Daardoor werd de binnenkomst in Kosovo wel heel bijzonder. “Wij leken de bevrijders; de Kosovaren stonden langs de kant van de weg te juichen. Er waren eerder uitgebreide plannen gemaakt voor de terugkeer van de bevolking, die massaal gevlucht was uit het gebied. Maar toen de mensen doorhadden dat de NAVO er was, viel er weinig aan te houden. Ze reden gewoon terug naar huis. Ik heb er nog foto’s van: mensen op een tractor zonder banden, lachend. Als het een film was geweest, dan was het verhaal mooi rond geweest,” zegt hij, verwijzend naar de vluchtelingenstromen die hij eerder dat jaar in Albanië had zien binnenkomen.

De lachertjes van de hele NAVO

Ook de rest van de missie werd getekend door eigenaardige plottwists. ‘Er speelden hele gekke dingen die niets te maken hadden met die missie. We moesten ons eigen kamp opbouwen op een vliegveldje waar eerst de Serviërs zaten. Toen we daar aankwamen bleek er een gebouwtje kapot gegooid te zijn. Daar zat asbest in. Dus er werd een asbestspecialist ingevlogen vanuit Nederland. Die liet de boel analyseren in een Belgisch lab, en die Belgen zeiden: er zit asbest in de grond daar, het is levensgevaarlijk. Onmiddellijk stoppen met de missie, was de opdracht. Er werd een elektronenmicroscoop ingevlogen, alles moest worden schoongemaakt, iedereen moest een nieuwe uitrusting krijgen. We waren de lachertjes van de complete NAVO.

Op een gegeven moment kreeg ik een telefoontje van een hoogleraar in Utrecht. Hij zei: “Nee, er zit daar heel veel rode klei in de grond, en onder een elektronenmicroscoop lijkt dat op asbest.” Lang verhaal kort: er zat dus helemaal geen asbest in de grond. Ik heb die informatie doorgebeld aan Nederland en ik kreeg direct een verbod erover te praten. Want er waren al miljoenen geïnvesteerd in nieuwe uitrustingen, de hele mikmak. Een van de Belgen van dat onderzoeksteam zei dat je de asbest op de grond kon binden met een bepaald soort wax, die hij toevallig zelf verkocht. Die man heeft er miljoenen aan verdiend. Later is er een rechtszaak over geweest, maar die Belg zat toen al hoog en droog in Thailand.’

Stress

In december 1999 keerde Hans terug naar Nederland. Maar de spanning bleef zijn leven beheersen. ‘Tijdens de missie stonden we elke dag om zeven uur op, en gingen om twaalf uur, half een ’s nachts naar bed. Dat gaat je niet in de koude kleren zitten. Ik was heel vervelend toen ik terugkwam, zocht voortdurend ruzie. Die stress moet er toch uit, na negen maanden onder spanning te hebben gestaan. Dat gebeurde bij mij vooral in het weekend. Als ik sliep, zweette ik enorm. Van dat stresszweet, dat stonk vreselijk. Ik had een stapeltje t-shirts naast mijn bed liggen en moest soms twee keer in een nacht een schoon shirt aantrekken omdat hij zeiknat was. Nee, ik had geen nachtmerries. Ik droomde wel als een dolle, maar niet over de uitzending.’

Op een gegeven moment was het over, plotseling, pats-boem, zegt Hans. ‘Dat was tijdens een vakantie in Griekenland. We waren drie nachten in Athene. De tweede nacht werd ik weer zeiknat wakker. Ik zei: nou is het over. Geen idee wat het was, maar ik heb er daarna geen last meer van gehad. Ik heb niet meer gezweet, ik heb niet meer gedroomd, het was gewoon over.’

Brabantse gemeenschapszin

Ook terugkijkend blijft zijn carriere bij defensie voor hem een mix van toevallige wendingen en eigen keuzes, zegt hij. ‘Ik had ook ambtenaar kunnen worden. Dat is dat Brabantse, sociale. Ik wil altijd de club bij elkaar houden. Iets voor de gemeenschap doen. Ik citeer oud-commandant Landmacht Mart de Kruif: “Een goed geordend land is een zegen voor de bevolking”. De overheid bevalt me wel, dus daar werk ik graag voor. Mijn ouders waren ook zo. Ik zeg altijd: zij deden de werken van barmhartigheid. Bij ons kon iedereen altijd mee-eten. Ze waren gelovig, ja. Mijn moeder zat op haar knieën voor de tv als de paus met pasen of kerst zijn zegen uitsprak. Later heeft ze dat afgeleerd. Mijn vader was denk ik meer sociaal gelovig. Hij was voorzitter van het parochiebestuur, zat bij het rode kruis en de woningbouwvereniging.’

Hans kwam bij defensie terecht op aanraden van een vriend die hij kende van waterscouting. Aanvankelijk had hij zijn pijlen gericht op de marine, maar Den Helder vond hij te ver, en de vertrekken op het schip te schamel. ‘Dat ik anderhalf jaar later ergens op de hei in een lekkend tentje lag, daar hebben we het niet over.’

Na zes jaar militaire administratie, waar hij naar eigen zeggen onder meer terecht kwam vanwege ‘een unieke competentie: ik had een bril’, kon Hans naar de Hogere Militaire Vorming (HMV). ‘Dat is er weer een waar ik ingerold ben. Ik riep: wil ik dat wel? Dat mocht ik niet zeggen, je bent uitverkoren als je naar de HMV mag.’ Hij ging wél. ‘Op het eind mochten we zelf onze functies verdelen. Bijna iedereen ging naar zijn of haar eerste keuze. Ik niet, ik zat ineens in Den Haag bij de denktank van Generaal Couzy, ten tijde van Srebrenica. Hij had een nieuwe secretaris nodig. Het was heel interessant om dat als jonge majoor mee te maken, als vlieg op de muur. Een maand later viel Srebrenica. Dat was een bijzondere tijd.’

Na een jaar vertrok Couzy, en kwam Hans onder generaal Schouten te werken. ‘Het vertrek van Couzy was niet leuk. Politiek gedoe. Toen Schouten kwam, hoopte ik dat het weer rustig werd. Diezelfde avond viel het Hercules-vliegtuig in Eindhoven uit de lucht. De Herculesramp, 15 juli 1996. Toen was ik opeens uitvaartbegeleider voor 32 collega’s. Dat heeft in die tijd wel het meeste indruk op me gemaakt.’

Terug met het gezin

In 2019 keerde Hans voor het eerst terug naar Kosovo, samen met zijn gezin, naar de plekken van zijn missie. Ze volgden ongeveer de route die Hans destijds had afgelegd – maar dan andersom. ‘Het was niet alleen maar een sentimental journey, het was vakantie. Maar als je er dan toch bent… Er was veel veranderd, maar ook veel hetzelfde. Dat lekker ongeplande van Oost-Europa, dat was hetzelfde. Maar er waren geen kapotgeschoten gebouwen meer. Toen ik er op missie was lagen in Kosovo her en der lichamen. Zwerflijken, noemden wij die. Het waren lui die er al een tijd lagen, die rook je wel. Toen ik er met mijn gezin terug was dacht ik: hé, die bocht herken ik nog, want daar lagen vier lijken.’

Op 1 juni 2019 ging Hans uit dienst: hij had de ontslagleeftijd van 58,5 bereikt. In die zin is hij even toevallig uit dienst gerold, als erin, bevestigt hij. Op de vraag hoe hij terugkijkt op zijn werkzame leven heeft hij twee antwoorden. ‘Het eerste wat in me opkomt is dat ik er goed van heb kunnen eten. Mijn andere antwoord is altijd dat ik erin zit voor wereldvrede. Mensen vragen vaak: mis je het niet? En dan vraag ik me af wat ‘het’ dan is. Ik heb veertig jaar gewerkt – in uren waarschijnlijk vijftig. Ik vind het lang zat. Tegelijkertijd: als het nog een half jaar langer had geduurd, dan was het ook OK geweest. Het is de kunst van het loslaten. Ik had binnen defensie negentien banen, dus ik heb al negentien keer afscheid genomen.’

​Hans Damen is samen met Amy van Son initiatiefnemer van Helmen Vol Verhalen, een kunstproject waarin ‘jonge’ veteranen gekoppeld worden aan kunstenaars. Het persoonlijke missieverhaal van de veteraan vormt de inspiratiebron voor een kunstwerk met verbeeldingskracht.

Hans werd gekoppeld aan Tatjana Kierienko, een Nederlands-Oekraïense kunstenares, die in cocreatie met een team van vrouwen in Oekraïne textiele kunst maakt.  

In 20/21 bracht het project  nog 20 ‘jonge’ veteranen en 20 kunstenaars bij elkaar voor een wezenlijke ontmoeting. Hun gezamenlijke missie is het zichtbaar maken van de relevantie van Nederlandse vredesmissies en de impact daarvan op de deelnemende militairen.

In 2022 zal een reizende expositie op verschillende locaties in Nederland gaan ‘landen’.

Alles wat niet níet mag, kan

Alles wat niet níet mag, kan

Maak Ruimte

Met het boek “Maak Ruimte” onderzoekt Juul Martin waar een aantal bijzondere en succesvolle leiders van heel divers pluimage van AAN gaan. Hij onderzoekt hoe zij in het werken met hun teams ruimte maken voor wat zijzelf en hun mensen echt nodig hebben. En hoe dat voelt als dat er wel of juist niet is. Hoe maken zij ruimte voor initiatief, verbinding, autonomie en leren. Voor vertrouwen, delen en erkenning? Hoe doen zij dat op zo’n manier dat er ook nog mooie dingen lukken? Hans Damen werd door Juul Martin geïnterviewd. Dit interview wordt een hoofdstuk in het nieuwe boek. Je kunt het hier alvast lezen als speciaal gastblog.

Hans Damen over structuur, delen en vieren

Zoetermeer. De lobby van een hotel. Bloemen en cactussen van plastic. Uitzicht op een jarentachtig flat. Hier is een ‘warme sfeer’ niet uitgevonden. Ik ben bijna een uur te vroeg voor mijn afspraak met generaal buiten dienst Hans Damen en hang wat in een loungestoel, dus ik heb alle tijd om eens rustig rond te kijken. Er gebeurt helemaal niks. Ik val op een gegeven moment bijna in slaap en blader wat door mijn aantekeningen als er een kwiek en krachtige 59-jarige besnorde man kordaat op me af komt gestapt met uitgestoken hand. 

‘Hans Damen, jij bent Juul Martin? Aangenaam. Koffie? Zwart? Haal ik.’ Ik probeer de pijn in mijn hand te negeren. Gelukkig trekt deze weg voor Hans terug is. Dan kan ik mijn aandacht weer op hem richten in plaats van op de vraag welke middenhandsbeentjes er nu wel of niet gekneusd zijn.

Je hoeft geen helderziende te zijn om een eerste indruk te hebben als: deze man weet heel goed wat hij wil en initiatief is hem niet vreemd. Bijna de archetypische militair uit een Amerikaanse film. Maar dan met een lieve stem, en een vat vol grapjes. Als hij naast me zit met de koffie vertel ik hem wat de bedoeling is van het gesprek. ‘Ja, dat weet ik, je had het me al gemaild. Begin maar.’ Tijdens het gesprek geeft hij me herhaaldelijk dit soort kleine briefings. ‘Daar hebben we het zo ook nog over’, ‘dit verhaal is niet om op te schrijven,’ of ‘die naam moet je maar niet gebruiken.’ Hoewel hij heel duidelijk is, voelt het ook wel oké om deze adviezen -schuine streep- commando’s op te volgen. Hoe doet hij dat toch?

Logo Landmacht

Hans blijkt vol verhalen te zitten en hij geniet van het vertellen. Hij kan ook echt goed vertellen. Over Afghanistan, Albanië, de NAVO, reorganisaties binnen onze eigen landmacht, het is alsof ik er zelf bij ben. Overal heeft hij zijn sporen wel achtergelaten. De ene keer waren het grote bestuurlijke veranderingen (NAVO en landmacht), hij werd ambtenaar van het jaar, maar ook in conflictgebieden wist hij echt verschil te maken, juist voor de lokale bevolking. 

‘Wereldvrede, daar deed ik het allemaal voor. Net als Sandra Bullock in de film Miss Congeniality. Dat klinkt misschien een beetje klef, maar daar gaat het wel om. En zonder leger geen vrede.’ Klef blijkt gedurende het gesprek Hans’ woord voor ‘emotioneel, zacht, of lief’ te zijn. Iets wat hij heel goed kan zijn en herkent. En wellicht door het woord ‘klef’ te gebruiken er in het leger met haar voornamelijk stoere mannen mee uit de voeten kan.

'Wereldvrede, daar gaat het mij om.'

Maar goed. Wereldvrede. Dat hoor ik bijna niet meer tegenwoordig. Terwijl mijn eigen kinderen naar kinderen voor kinderen luisteren, kun je nagaan. Wie durft er nog zo groots te dromen. Wie durft er zo’n onhaalbaar doel te stellen? Zo idealistisch! Hans wel blijkbaar. En als militair nog wel.

‘Nee, het is geen haalbaar doel, maar daar word ik niet ongelukkig van. We moeten er gewoon voor zorgen dat iedereen een beetje ruimte heeft om te leven dan komen we een heel eind. En in de geschiedenis is gebleken dat dat tot nu toe zonder leger niet kan.’

Hans is sinds kort uit dienst, en het went niet snel.

Hij vertelt: ‘Ik werk nu af en toe bij een oud-collega met een duikschool in Thailand. Sta ik weer twaalf uur per dag te werken, maar nu als divemaster, da’s een duikgids die duikers de weg wijst, instructeurs assisteert en de logistiek in de duikschool verzorgt.’

Hij weet van iedereen altijd de positie in de pikorde en benoemt die positie. En wat dat betekent voor de relatie merk ik. Ondanks, of wie weet, dankzij dit positiebewustzijn, en het accepteren van ieders positie, wordt hij iedere keer een ‘beetje klef,’ om zijn woorden te gebruiken. Hij zal het vast niet beamen, maar toch:

Hans vertelt: ‘Gelukkig kan ik daar kinderen helpen die niet durven te duiken. Die dwing ik niet, ik manipuleer alleen een beetje. Dan mogen zij mijn hand vasthouden en zelf bepalen wanneer we gaan afzakken het diepe in. Weten zij veel dat ik veel harder afdaal dan zij en we zo snel heel diep zinken. Misschien kun je het dan toch liefdevol dwingen noemen,’ zegt hij met een gulle grijns.

‘Niet om klef te doen…’

En, nog een voorbeeld ‘klef’. Op de duikbeurs kwam hij een man tegen die PTSS (post traumatic stress syndroom) bleek te hebben. ‘Dan heb je zo een gesprek van een halfuur, snapje?’ Zonder het echt te benoemen laat hij merken dat dat gesprek niet over koetjes en kalfjes ging, maar dat hij luistert een meeleeft met zo’n man. Een vreemde met psychische klachten vindt een luisterend oor bij generaal buiten dienst Hans Damen. Gewoon tijdens de duikbeurs. 

Dat verbaast me, hoewel hij zeker een zachtaardige indruk maakt. Het verbaast omdat dat niet strookt met het beeld van de harde militair en een leger vol discipline waarin je om te vechten voor je leven je hard moet opstellen. Het zit ook echt een beetje anders dan ik denk, dat leger, blijkt uit Hans’ verhaal. Namelijk: Het ene uiterste van vechten om te overleven kan niet zonder het andere schijnbaar tegengestelde, namelijk heel empathisch zijn en sores delen. Hans verenigt deze tegengesteldheden als geen ander.

Hans zegt: ‘Kijk, als militair wordt er van je verwacht, en dat is het enige beroep waarbij dat is, dat je je lichaam helemaal inzet. Zelfs als dat je dood betekent. Bij de politie niet. Bij de brandweer niet. Bij ons wel. Je moet zonodig je leven geven. Dat klinkt een beetje pathetisch, ik heb het zelf gelukkig niet meegemaakt, maar zo is het wel.’

Brigadegeneraal Hans Damen Logistiek Inspiratie Participatie Communicatie

Bij de landmacht gaat het om moed, toewijding en veerkracht. Moed om zonodig je leven te geven dus. Toewijding aan elkaar, dat trainen ze er gewoon in. Hans: ‘Bij teambuilding moet je soms iemand tien kilometer dragen die zogezegd een gebroken been heeft. Geef ze allemaal nog wat slecht eten en je groeit vanzelf naar elkaar toe. Ellende móet je wel delen. Dat geeft verbinding.’ En dan, bijna op fluistertoon, voor het eerst voorzichtig in zijn taal, stem en houding: ’Wij praten heel veel met elkaar, zeker op uitzending. Je weet snel wie een gehandicapt kind heeft, een zieke vrouw of welke andere sores iemand thuis nog heeft. We weten een heleboel van elkaar. Die openheid, zonder de schijn op te houden, en dat oprecht delen met elkaar maakt dat je elkaar 100% kunt vertrouwen. Dat houdt ons op de been, maar is dus ook van levensbelang in een gevechtssituatie.’ 

Mijn mond valt open van verbazing. Ik heb nooit gediend en mijn beeld is gevormd door films en verhalen. Daardoor is mijn beeld niet helemaal accuraat natuurlijk, maar dit kleffe gedoe, dit hartelijke bewonderenswaardig open gedrag tussen militairen had ik totaal niet verwacht. Die ruimte om te delen overvalt me. Ik vraag daarom: ‘Is dat normaal in het leger?’

‘Zeker. Toen mijn vader overleed moest ik vier dagen janken. Ze vroegen of ze me konden helpen, regelden alles voor me. Kwamen op de uitvaart. Ik kreeg daarna ook alle tijd en ruimte van mijn baas. Terwijl mijn zus -die gewoon een burgerbaan heeft- alles zelf moest regelen en niet het begrip kreeg dat ik kreeg.’

'Ik moest janken...'

Als de dood deel uitmaakt van je werk, dan maak je misschien wel meer ruimte voor het leven. Zelfs binnen, of beter, juíst binnen zo’n hiërarchische organisatie. Hoe kan het eigenlijk anders?

‘Ik was een keer op bezoek in Afghanistan, en die lui van ons door een aantal problemen daar zaten in de stress. Het gesprek kwam maar niet op gang totdat ik hoorde dat ze uit Veldhoven kwamen. Ik dus gelijk heel plat Brabants praten, want daar kom ik vandaan, maar kende gij die en die ok, of nie? En ze waren om. We hadden het vervolgens uren over hoe het was om uitgezonden te zijn en wat je mist van thuis. Daarna was het probleem waar we eigenlijk voor kwamen vrij eenvoudig op te lossen.’ Daar zit een trotse man te vertellen zie ik. Een militair met empathie als sterkste wapen.

Hoe gaat zo’n gedisciplineerde machine als het leger, want dat is het natuurlijk wel, verder om met haar mensen? begin ik me af te vragen. Als er zo veel ruimte is voor de mens achter de soldaat, hoe zit het met al die discipline, regels en procedures?

Hans zegt daarover: ‘Als je weet wat er niet mag, dan weet je ook wat er niet níet mag. Tell me the rules so I can break them. Zolang je je houdt aan al die kleine onbelangrijke dingetjes, de juiste kleren draagt, op de juiste manier groet en simpele orders volgt en verder geen punt van maakt van andere details die moeten, dan kan er een hoop. Zolang je je hogere doel voor ogen houdt en daarnaar handelt, gewoon doen.’ Accepteer het gezag en vindt de ruimte. Daar heeft Hans een mooi verhaal bij.

Hans en Q in Orahovac Met M109 Gedle RIjders en kinderen

Kosovo

In Kosovo woedde een vuile oorlog in 1999 en Hans was daar als onderdeel van een missie om te pacificeren. Om rust en veiligheid te brengen dus. Hoewel het niet de bedoeling was, pakte het Nederlandse detachement daar oorlogsmisdadigers op. Daar waren de juristen in Nederland faliekant op tegen, maar het gaf veel vertrouwen van de lokale bevolking, waardoor de missie veel beter liep. Het was ook niet niet de bedoeling, dus het kon. 

Een bevolking die niks te eten heeft help je ook niet met een folder. Wel door de lokale bakkers meel te geven. Dat stond in geen een plan, daar was formeel geen budget voor, maar we deden het wel. De bevolking had weer te eten en de bakkers betaalden ons langzaam aan terug met vers brood.  Dat moet je gewoon doen, niks vragen maar vrachtwagens sturen. En als er dan later gezeur over komt, dan vang je die shit wel op als die komt van boven. Soms moet je gewoon beslissen en ervoor gaan staan.’

‘Je moet je voorstellen dat wij een gebied moesten bezetten zodat de vijand er niet in kon. Dat trok natuurlijk allemaal vluchtelingen aan. Die krijg je dan echt niet meer weg als ze eenmaal een tentje hebben gemaakt met een zeiltje. Hen helpen was niet de bedoeling, maar ja, eigenlijk uiteindelijk wel. Dus wij kochten en ritselden vanalles. Tot een dag een hoge Canadese Navo-kolonel me helemaal uit foeterde. Als jij je niet voegt dan gooi ik je dit land uit, schreeuwde hij vol in mijn gezicht. Doe je best, zei ik. Officieel ben ik hier niet eens.’

Daar waar veel regels en structuur zijn, daar staan mensen op als Hans die deze willen en weten te omzeilen. Die creatief omgaan met de regels, omdat het nodig is. Omdat het gewenst is, maar dat kun je niet opschrijven als regel. Je hebt het wel nodig om het gestructureerd gestelde doel te halen. Vrede. En dat is toen, in 1999 in Kosovo, mede door Hans gelukt. En het ontroert en vervult hem nog steeds. Met ‘kleffe’ stem en ogen vertelt hij:

‘In Albanië zaten we een keer op een avond met de chauffeur en een marinier in de auto. En je moet weten dat die mensen daar gewoon op ons lijken he. Ze zien eruit als je buren in Nederland bij wijze van spreken, met een spijkerbroek en een trui zeg maar. Maar goed, we zitten daar in die auto en zien een krakkemikkig autootje vol vluchtelingen voor ons rijden. Kentekenplaten zijn eraf geschroefd bij de grens, door de vijand. Zo van: je hoeft niet meer terug te komen. Hun identiteit afgepakt, zo zag ik het. Met zo’n kleine handeling die mensen zo’n geweld aandoen,’ Hans schiet er bijna van vol.

‘En dat we dan twee maanden later, twee maanden van ritselen en regelen en van buiten de lijntjes klooien, weer mensen terug naar huis konden zien gaan.’ Hans valt voor het eerst stil. Hij zoekt even naar woorden en weet het heel even niet meer. Herpakt zich. ‘Daar reed een tractor met een aanhanger, De banden waren eraf gereden dus dat staal trok een spoor in het asfalt. De aanhanger vol vluchtelingen die terug konden keren. En gelukkig dat ze waren. Ik krijg er nog kippenvel van. Daar deden we het allemaal voor. Een stukje wereldvrede.‘

En iedere keer dat ze daar reden werd hij eraan herinnerd, met de diepe krassen in het asfalt als stille getuige.

Terwijl daar nu dezelfde man zit als anderhalf uur geleden zie ik geen militair uit een Amerikaanse film. Ik zie daar een warme, slimme en creatieve man zitten die ‘toevallig’ bij defensie heeft gewerkt. En het kan geen toeval zijn dat hij carrière maakte in het leger. Hij wist precies de ruimte te benutten die er was. En iets wezenlijks toe te voegen: de ruimte om te delen, om te creëren en te verbinden. En die behoefte bleek enorm groot ondanks, of juist dankzij, de strikte hiërarchie.